|
Het opiniestuk van Frank Vandenbroucke in de De Standaard stelt belangrijke vragen bij de recente aanbevelingen van Europa. Die zijn waardevol, maar hebben een eenzijdige, beperkte focus. Het gaat vooral over besparen, langer werken en nog eens besparen. We hebben te veel verlof, verdienen te veel en de wettelijke pensioenleeftijd dient opgetrokken van 65 naar 67 jaar. Een toekomst van verarming voor velen en sociale verbrokkeling dreigt. De aanbevelingen zijn vooral negatieve aanbevelingen waarbij er op korte termijn perspectief gegeven wordt aan beleggers en speculanten - maar weinig perspectief aan jongeren.
Het verhogen van de wettelijke pensioensleeftijd is ook naast de kwestie: we dienen ons vooral te concentreren op het langer gemotiveerd en actief houden van oudere werknemers.
De Europese Commissie belijdt nog steeds zijn geloof in de Europa 2020-strategie, maar het sociale investeringsbeleid waar die strategie voor staat wordt met de voeten getreden. We gaan net méér moeten uitgeven op sommige vlakken, meer investeren in de toekomst: we dienen in te zetten op onderwijs en innovatie.
Vlaanderen zal meer moeten durven en verder gaan dan deze aanbevelingen. Vlaanderen moet perspectief, hoop, een toekomst geven aan jongeren: "Veronderstel dat we offensief reageren op de aanbevelingen van de Europese Commissie, en niet louter defensief. Waarbij we niet klakkeloos het recept van de Commissie volgen, maar wel nieuwe antwoorden durven formuleren op deze uitdagingen."
Lees hieronder het opiniestuk van Frank Vandenbroucke:
Echt durven is Europa overstijgen
We staan voor een loodzware begrotingsoefening. Wie zegt dat dit pijnloos kan dwaalt, zegt FRANK VANDENBROUCKE. Hij stelt daarbij pertinente vragen aan zowel Franstalige als Vlaamse betrokkenen, én aan Europa.
De tegenstrijdige reacties op de Europese aanbevelingen voor België - onaanvaardbaar voor de enen, het perfecte programma voor de anderen - hadden iets gemeenschappelijk: ze getuigden niet van durf en verbeelding. Dat geldt ook voor de Europese Commissie zelf: ook daar mankeert durf en verbeelding. Waardoor een eenzijdig recept zonder perspectief op tafel ligt.
Moeten het pensioenstelsel en de arbeidsmarkt hervormd worden? Ja. Laaggeschoolde mensen krijgen in België te weinig kans op de arbeidsmarkt. Dus moet je remmen op de aanwerving van weinig geschoolde mensen aanpakken, onder meer inzake loonkost. We moeten meer dan ooit investeren in onderwijs. En natuurlijk nog sterker activeren, en nadenken over het verloop van de werkloosheidsuitkeringen in de tijd.
Het pensioenstelsel moet een stevige, solidaire zekerheid bieden. De belangrijkste opdracht voor de volgende regering ligt daar. Op korte termijn moeten meer mensen tussen 55 en 65 jaar aan het werk. De bestaande uitstapstelsels moeten we dus afbouwen, terwijl bedrijven zich moeten engageren dat ze veel sterker zullen investeren in opleiding en arbeidskwaliteit van vijftigplussers.
Open zenuw
Tegelijk moet uitgeklaard worden hoe het wettelijke pensioenstelsel er op lange termijn zal uitzien. Dat betekent dat je het tijdens de volgende regeerperiode moet hebben over de wettelijke pensioenleeftijd, over pakweg twintig jaar.
Laat ik dit gevoelige punt iets concreter maken. De levensverwachting boven de leeftijd van 65 gaat met rasse schreden vooruit. Een evenwicht op lange termijn in het pensioenstelsel is onmogelijk als de feitelijke en de wettelijke pensioenleeftijd zich daaraan niet geleidelijk aanpassen. Zeggen dat de wettelijke pensioenleeftijd nu helemaal niet aan de orde is, is niet de meest sociale houding. Niet alle mensen zullen over twintig jaar in staat zijn te werken tot hun 65ste.
Het zou zelfs asociaal zijn om daarvan uit te gaan: nog altijd zal je te maken hebben met een groep die begonnen is op 18 jaar, nog altijd zullen er zware beroepen zijn, nog altijd zullen mensen boven de zestig gezondheidsproblemen krijgen...
Om de effectieve, gemiddelde pensioneringsleeftijd dichter in de buurt van 65 te brengen, zal een deel van de bevolking over twintig jaar iets langer moeten werken dan 65. Zal je mensen dan verbieden om op hun 65ste te stoppen met werken? Neen. Maar je zal mensen die, bijvoorbeeld, op hun 22ste begonnen zijn, tegen dan moeten aanmoedigen en ondersteunen om pas op pensioen te gaan op hun 67ste. Concreet betekent dit dat wie op dat moment nog geen 45 jaar gewerkt heeft, op zijn 65ste een pensioen kan krijgen dat minder goed is dan wat hij kan krijgen als hij doorwerkt tot zijn 67ste. Een flexibele pensioenleeftijd dus, in functie van de lengte van de loopbaan.
Begroting zonder taboes
De pensioenleeftijd biedt houvast, biedt een zekerheid. Als we zekerheid willen bieden op de lange termijn, zullen we de betekenis van sommige zekerheden moeten herdefiniëren. Daar moeten we nu aan beginnen, want mensen moeten lang van tevoren weten wat het maatschappelijke contract is waarop ze hun pensioenverwachting kunnen baseren. Conditio sine qua non is natuurlijk dat de werkgevers ook jobs aanbieden aan mensen boven de 55; zo niet is heel deze discussie zinloos.
De vraag of we zonder taboes durven te hervormen, rijst voor iedereen. De begrotingsoefening die voor ons ligt, is bijzonder zwaar. In het verleden is overal bespaard. Als we de toekomst willen voorbereiden, is dat de foute optie. We zullen de volgende jaren meer moeten uitgeven voor wetenschappelijk onderzoek, voor onderwijs, voor pensioenen; niet minder.
We zullen meer moeten investeren om een koolstofarme economie mogelijk te maken, niet minder. De basis waarop zinvol bespaard kan worden, is smaller dan vroeger, terwijl de opdracht even omvangrijk of zelfs omvangrijker is dan bij vroegere saneringen.
Wie zegt dat dit pijnloos kan, dwaalt. Waar het om gaat, is dat de begrotingssanering een perspectief moet bieden op een betere toekomst, dat iedereen met voldoende sterke schouders zijn duit in het zakje doet, en dat iedereen taboes laat sneuvelen.
Wat ik hoger schreef over werk en pensioenen, is geen gemakkelijke opdracht voor de sociale bewegingen: mensen zoals ik - voor wie werk een vorm van zelfexpressie is - hebben makkelijk praten over langer werken of over matiging. Voor velen die werken om den brode zijn dat zeer moeilijke boodschappen. Wil men dat begrijpen, daar rekening mee houden en daar iets tegenover stellen?
Kunnen de werkgevers in een protocol vastleggen dat ook top-ceo's inleveren? Kan het Verbond van Belgische Ondernemingen aanvaarden dat de invoering van een hoofdelijke aansprakelijkheid van ondernemers tegenover onderaannemers essentieel is, als je zwartwerk en illegaliteit op de arbeidsmarkt krachtig wil bestrijden?
Kan de zelfstandigenorganisatie Unizo instemmen met een veel krachtiger aanpak van schijnzelfstandigheid? Kan Open VLD toegeven dat de sanering die voorligt onmogelijk is zonder nieuwe inkomsten? Ziet de N-VA dat het arbeidsvriendelijker maken van onze fiscaliteit impliceert dat zowel over groene fiscaliteit als over vermogensfiscaliteit moet gepraat worden?
Is de MR bereid om in de gezondheidszorg het principe van de derde betaler te veralgemenen - waardoor we aan mensen met weinig geld niet meer vragen om de honoraria voor te schieten? Zullen we de energiemonopolisten echt aanpakken? Het lopende debat doet voortdurend een beroep op de ‘durf' van de tegenstanders. Als we allemaal beginnen met zelf te durven, zouden we veel verder staan.
Er is niet alleen echte durf - gedeelde durf - nodig. Er is ook een ernstig debat nodig over de marsrichting, waarbij symbolen de plaats moeten ruimen voor realiteiten. Zeggen dat de vraag is of we ‘voor het Duitse model kiezen of niet', getuigt van grote oppervlakkigheid en doodt de discussie.
Natuurlijk is een matige loonkostontwikkeling aangewezen, natuurlijk moet nagedacht worden over de werking van onze arbeidsmarkt. Maar het Duitse model kan niet het voorbeeld zijn. Niet alleen is een veralgemening van de Duitse aanpak in Europa uitgesloten, want het is macro-economisch onmogelijk dat alle Europese landen samen hetzelfde handelsoverschot zouden boeken als Duitsland.
Armoede in Duitsland
Bovendien is Duitsland inzake investeringen in menselijk kapitaal een middenmoter, waar we ons het best niet aan meten. Ten slotte is het onmiskenbaar dat de armoede in Duistland de voorbije jaren significant gestegen is, waardoor Duitsland flagrant in overtreding is met een van de essentiële doelstellingen van de Europa 2020-strategie van de Europese Commissie.
De vraag is nu of de Europese Raad Duitsland voor dit falende armoedebeleid op de vingers durft te tikken en maatregelen durft te vragen. Als men Europa 2020 ernstig neemt, zou dit moeten. Net zoals ook andere doelstellingen van een sociaal investeringsbeleid - onderwijs, kinderopvang, onderzoek - hoog op de agenda moeten staan.
De voortekenen zijn echter niet goed: we horen vandaag een zeer eenzijdig Europees verhaal. We riskeren daardoor een budgettair en economisch beleid dat een sociale investeringspolitiek alleen nog lippendienst bewijst. Het ‘pact' dat nodig is, is een Europees sociaal investeringspact.
De mooie doelstellingen van Europa 2020 (investeren in innovatie, investeren in onderwijs om drop-outs te verminderen en het hoger onderwijs verder uit te bouwen, armoede en werkloosheid bestrijden...) moeten verankering krijgen in de toepassing van het Europese Semester.
Er is nog een pijnpunt. Zonder collectieve aanpak van risico's die de nationale regeringen lopen op de financiële markten blijft de Eurozone een fragiele constructie, toonde Paul De Grauwe aan. Zo'n collectieve aanpak - met name via de uitgifte van gezamenlijke Euro-obligaties - impliceert niet dat je de verantwoordelijkheid van nationale regeringen om financieel orde op zaken te zetten, wegneemt.
Het betekent dat je een evenwicht tot stand brengt tussen disciplineren en ondersteunen, dat je het haalbaar maakt voor de zuiderse landen om te slagen, dat jonge Spanjaarden, Grieken en Portugezen echt een perspectief kunnen zien aan het einde van de tunnel. Durft de Commissie van zo'n logisch voorstel een hard punt te maken - tegen het Duitse neo-nationalisme in? Of gaat zij een dergelijk gevecht liever uit de weg, zoals ze ook andere gevechten tegen gevestigde machten liever uit de weg gaat?
Veronderstel dat we offensief reageren op de aanbevelingen van de Europese Commissie, en niet louter defensief. Waarbij we niet klakkeloos het recept van de Commissie volgen, maar wel hervormen. Veronderstel dat de ‘durf' die de toekomstige regeringspartners en de sociale partners daarbij opbrengen een gedeelde durf is.
Een hervormingsgezinde Belgische regering die op die basis aan de slag kan, zou ook in de Europese Raad sterk staan om een meer sociale Europese aanpak te eisen, om meer durf en meer verbeelding te eisen van de Commissie - of het nu gaat over de uitgifte van euro-obligaties of de hervorming van het bankstelsel. Waardoor Europa een perspectief zou aanbieden, eerder dan een eenzijdig economisch verhaal dat alleen euroscepticisme en sociale verbrokkeling voedt.
Dit artikel verscheen op 9 juni in De Standaard.
|