Advertisement
   Doorzoek de site
   
1: Home2: Groen en Sociaal3: In de rand4: In het parlement5: Voor 20106: Over Ludo7: Links

Algehele scheiding kerk en staat bestaat niet Afdrukken E-mail
02/02/2011

Religie heeft wel degelijk een belangrijke rol in de samenleving. Daarom is het goed dat de overheid officieel erediensten erkent. Een algehele scheiding tussen kerk en staat is een puur theoretische oefening en niet wenselijk. Hier mijn reactie op de bijdrage van de Nederlandse columnist Paul Cliteur (De Standaard, 29 januari 2011). 

Cliteur is een fervent aanhanger van het secularisme: religie en geloof mogen zo weinig mogelijk invloed uitoefenen op de politiek en de maatschappij. Terecht stelt hij dat politieke macht voor een religie uit den boze is en dat moraal, religie en politiek los staan van elkaar en alle drie een andere inhoud kunnen hebben. Dit wil echter niet zeggen dat zij elkaar niet kunnen of zouden mogen beïnvloeden.

Ik hoop dat politiek engagement voortkomt uit een drang om de samenleving te verbeteren. Dit veronderstelt een bepaalde visie op een samenleving en de mensen, die ze vorm geven. Een dergelijk mens- en maatschappijbeeld wordt geïnspireerd vanuit waarden, die iemand belangrijk vindt en dikwijls verder geconcretiseerd worden in normen. Waarden en normen en dus ook de concrete politieke actie ontstaan vanuit een breder, dikwijls zelfs niet altijd heel bewuste kijk op mens en samenleving, die nauw verbonden is met de uiteindelijke zingeving van je leven. Voor een religieus iemand zal deze zingeving gebaseerd zijn op zijn geloofsovertuiging, zijn religie. Een ongelovig iemand zal misschien zijn zingeving, zijn waarden en normen putten uit een meer filosofische of algemeen humane visie over mens en samenleving. Een geseculariseerde samenleving laat deze benaderingen naast elkaar bestaan, heeft er respect voor en wil dat iedereen in de samenleving op basis van zijn waarden en normen samen in dialoog zoekt naar de beste manier om de maatschappij te organiseren en vorm te geven.

Een geseculariseerde samenleving aanvaardt niet dan iemand op basis van één of andere geloofsovertuiging de samenleving regels wil opleggen, laat staan de concrete politieke actie bepaalt omdat hij zich vanuit zijn geloofsovertuiging daartoe het recht toe-eigent. Wij mogen niet aanvaarden dat een religie voorschriften oplegt, die ingaan tegen de wet. Een moraal is persoonlijk, de enige dwingende moraal zijn die regels die in een wet zijn vastgelegd. Godsdienst mag nooit de democratische basisregels van een samenleving overrulen. Een fundamentalistische invulling van om het even welke godsdienst is onaanvaardbaar. Of zoals Herman Van Rompuy stelt : "Je kunt in een samenleving perfect verschillende godsdiensten en filosofische overtuigingen hebben, op voorwaarde dat iedereen dezelfde beschavingselementen respecteert."

Maar Cliteur gaat een stap te ver door te stellen dat ‘de staat niet één of meerdere godsdiensten financieel of anderszins mag ondersteunen'. Dat komt neer op een miskenning van de maatschappelijke rol van religie en maakt van de grondwettelijk gewaarborgde godsdienstvrijheid een lege doos.

Die godsdienstvrijheid is de vrijheid die elke burger heeft om zijn religie te beleven. Het is in de eerste plaats een individueel recht: eenieder mag geloven wat hij wil, hij mag het uitdragen, het kan een inspiratiebron zijn voor zijn persoonlijk, maatschappelijk en zelfs politiek handelen, hij kan zijn leven eraan wijden.

De scheiding tussen kerk en staat moet dan ook vooral verstaan worden als een strikte scheiding tussen de overheid en de individuele religieuze overtuiging. Maar dit houdt net in dat de overheid actief de godsdienstvrijheid van ieder individu waarborgt: niemand mag gediscrimineerd worden omwille van zijn geloof, evenmin mag men verbieden het geloof van anderen te bekritiseren.

Cliteur verwart de godsdienstige beleving van een individu met een instituut als de kerk dat drager wil zijn van die beleving. Gelovigen doen een beroep op erediensten in kerken, moskeeën of synagogen. Het verzorgen van erediensten en het verlenen van morele bijstand aan personen volgens hun persoonlijke overtuiging is een maatschappelijke rol, die de overheid relevant vindt in functie van het algemeen belang. Die erkenning houdt voornamelijk in dat de wedden en pensioenen van de bedienaren van de erediensten ten laste van de Staat komen. Maar die erkenning houdt geenszins een goedkeuring in van de geloofsleer van die godsdiensten, laat staan van de geloofsovertuiging van een individu.

Toegegeven, de relatie tussen religie en overheid is een voortdurend zoeken naar een juist evenwicht. In de praktijk zijn er immers veel raakvlakken tussen kerk en staat, maar ze manifesteren zich niet altijd uitdrukkelijk. Het voorbeeld bij uitstek is het onderwijs: de meeste scholen zijn vrij en confessioneel, maar voor subsidies zijn ze afhankelijk van de overheid die als tegenprestatie kwaliteitsnormen oplegt. Net omdat ze doordringen tot in de kern van de persoonlijke overtuiging, laaien discussies hoog op over het dragen van een hoofddoek, de bestemming van ongebruikte kerkgebouwen, voedselvoorschriften, of recent nog islamitische vrouwen die door het gezag van hun vaders of echtgenoten weinig bewegingvrijheid kennen. Deze discussies balanceren op de grenzen van maatschappij, politiek en religie, maar hebben altijd een weerslag op de individuele geloofsbeleving.

De vraag is dan ook niet óf we met religie rekening willen houden, maar hóe we er rekening mee moeten houden. Doen alsof religie niet bestaat of geen invloed mag uitoefenen, is het daglicht ontkennen. De politiek staat net voor een grote uitdaging: religies een zichtbare plaats geven in een pluralistische, geseculariseerde samenleving.

< Vorige   Volgende >


1: Home / 2: Groen en Sociaal / 3: In de rand / 4: In het parlement / 5: Voor 2010 / 6: Over Ludo / 7: Links